Zur Ausstellung „THE Seventies im Valkhofmuseum in Nijmegen

DE NIJMEEGSE RADICALITEIT TERUGGEHAALD: STELLINGNAME IN 5 PUNTEN

Gerard Snels/ januari 2008

DE NIJMEEGSE RADICALITEIT TERUGGEHAALD: STELLINGNAME IN 5 PUNTEN

„Je veux tourner la page de Mai 68“
(Nicolas Sarkozy in april 2007)

Om de Nijmeegse radicaliteit (woord dat komt van `radix’, `wortel’ en volgens Marx wilde radicaal zijn zeggen `de zaken bij de wortel pakken’) beter in beeld te krijgen, beter dan dat op de (ten opzichte van de voorgeschiedenis ietwat los-zwevende) tentoonstelling het geval kon zijn – om dus de Nijmeegse radicaliteit een soort achtergrond, klankbodem en dieptewerking te geven, permitteer ik mij een snelle terugblik langs de geschiedenis van de Nijmeegse (studenten)beweging. Langs haar voorgeschiedenis. En ik doe het puntsgewijs.
1. Eerste punt is, dat in 1963 min of meer vanuit Nijmegen en via teksten in het NUB door de psychologie-student Regtien de Studenten Vak Beweging werd opgericht. Hij heeft in een interview gezegd dat het oprichtingsjaar van de SVB ook het jaar was, waarin de geboortegolf, de naoorlogse bevolkingsexplosie van 1946 op de poorten van de universiteit aanklopte. Daarna heeft – vanaf midden jaren zestig – zeker een rol gespeeld, dat in Nijmegen procentueel het aantal studenten die afhankelijk waren van een studiebeurs, buitenproportioneel hoog was. Als ik dat opmerkelijke feit in herinnering breng, reageren de toevallige omstanders vaak met de terechte opmerking, dat die samenhang tussen toestromende beursalen en radicaliteit een mooi materialistisch gegeven is. – Maar op het moment dat het begeerde goed van de kwalificatie op massale schaal bereikbaar wordt, verandert natuurlijk ook het gehalte ervan.
2. Tweede punt. Door factoren die met het bovenstaande samenhangen, moest het in het landelijke debat normaal gesproken toonaangevende Amsterdam dat voorrecht langzaamaan afstaan aan Nijmegen. Zo werd de in november 1967 opgerichte Kritische Universiteit hier een veel kritischer, ingrijpender en massaler fenomeen dan in Amsterdam; zij had hier ook van meet af aan veel meer betrekking op de inhoud van de wetenschap. De Kritische Universiteit had hier bovendien al een rijke uitwaaiering naar vele faculteiten en subfaculteiten. Hoewel de Maagdenhuisbezetting qua spektakel de show stal, vormde de universiteit hier toch het epicentrum van de hele democratiseringsbeweging; zo werden bijv. de op grote, landelijke schaal gretig gelezen brochures over `Universiteit en onderneming’ en over de `Radenuniversiteit’ (allebei uit ’68) hier geschreven.
3. Van de hier bedoelde en globaal aangeduide radicaliteit vormden na het einde van de democratiseringsacties – die het karakter van de universiteit als geheel in het vizier namen – de `Socialistiese studentenbonden’ de duidelijke voortzetting. Ze doen dat ook omdat ze de foutieve attractiviteit uitgaand van nieuw-opgerichte partij-organisaties (al dan niet voorzien van de toevoeging ml) succesvol indamden. Ik heb in dit verband altijd een vreemde voorliefde gehad voor een passage uit een tekst van Alberto Asor Rosa over studenten- en arbeidersbeweging, waaruit ik hier graag citeer: `Ik zou zeggen dat de studentenbeweging zich op het terrein van de universiteit beweegt en gedraagt als de voorhoude van een revolutionaire politieke partij, die niet bestaat.’ Dit kan, zo heb ik gemerkt, ook compleet verkeerd worden begrepen. Het is natuurlijk bedoeld als compliment aan het adres van die studentenbeweging. Zo bedoel ik het hier ook. De `Socialistiese studentenbonden’ maakten door hun sterk op kritiek van de studie-inhoud en van de gangbare wetenschap georiënteerde bestaan (en door het creëren van een eigen alternatieve subcultuur) de hang naar de partij overbodig; hoezeer de bonden misschien soms intern ook partij-structuren naäapten.
4 Ten vierde. Door zich als studentenbonden, voorzien van een vakgebied te afficheren, verduidelijken die organisaties ook dat ze van een ander dan strikt syndicalistisch zicht op de behartiging van studentenbelangen uitgingen. Ook het ontwerp van een zinvolle, ten opzichte van de bestaande beroepspraktijk misschien utopische invulling van het vak, ook de ontwikkeling van een marxistische kritiek op dat vak, ook kritiek op onzinnige prestatiedwang, op absurde selectie, behoorden tot het takenpakket van die bonden. Zowel de formulering en ontwikkeling van een andere studie-inhoud als de problematisering van school en universiteit als `afgezonderde instituties’ voor de reproductie van sociale rollen en van de sociale hiërarchie, werden hier naar het voorbeeld van bepaalde theoretische concepties uit Italië (bijv. van de groep `Il Manifesto’) gearticuleerd. Het zat er allemaal in.
5 Ten vijfde. Voeg hieraan toe dat dit geheel in de jaren zeventig nog was doortrokken van een veelheid aan anti-imperialisme-groepen en bemoeienissen met andere landen, en je hebt al bijna – ook door het grote leerproces, dat in dit alles lag besloten – het veelkleurige beeld van een beweging, die zich tegen de onderschikking onder een partij, onder welke partij dan ook, zou hebben verzet. Pogingen tot praktische toenaderingen tot de arbeiders(klasse) waren er her en der ook genoeg. – Misschien kan alleen een denken in partij-concepties menen dat het `dus’ mis is gegaan. Maar waar ging het dan – in de tweede helft van de jaren zeventig – zo mis? Het ging ook, zoals iemand tijdens de voorbereidingen van deze middag zei, `gewoon om een jongerenbeweging’: die dus ook de grenzen van een `beweging van jongeren’ had. (Al was ik daarvoor zelf een tikkeltje aan de oude kant aan het worden…). Terugkijkend lijkt het mij in velerlei opzichten ook gewoon zo, zoals de titel van een Merve-boekje van toen (1975) luidde, dat ik bij deze gelegenheid een paar keer nog eens uit de kast trok: `De revolutie is voorbij – we hebben gewonnen’?

4 – I – 2008
Michel van Nieuwstadt
(tekst uitgesproken voorafgaand aan het slotdebat
bij de Seventies-tentoonstelling op 6 januari 2008)

GESPROKEN COLUMN (t.g.v. The Seventies in Valkhofmuseum)

(Kameraden)

Dit is eigenlijk ook een herdenkingsbijeenkomst. Hoe herdenk je een beweging?
Het speelde zich allemaal af in een tijd die inmiddels ver achter ons ligt. M.b.v. eigen herinneringen kan de sfeer van die tijd teruggehaald worden, maar waar het gaat om de chronologie van gebeurtenissen en de verwoording van ideeën zijn die herinneringen niet altijd meer betrouwbaar. Daarom heb ik enkele maanden geleden alles nog eens doorgenomen in het archief van het KDC.
Het gaat grofweg om de eerste helft van de jaren zeventig.
Ik was in ’67 naar Nijmegen gekomen en daar al snel in aanraking gekomen met SVB, de KrU, USN, de bezettingen en de zomeruniversiteit. Het elan uit die jaren leek rond 1970 te verdwijnen. Na enkele solidariteitsbezoeken aan de havenstaking in R’dam in de zomer van dat jaar leek mij een keuze voor de KEN/MLS het meest voor de hand liggend omdat op die manier een relatie met de arbeidersklasse gegarandeerd leek. Het bleek van korte duur. Dat ik in het voorjaar van 1971 de voorkeur had gegeven aan een Europacupwedstrijd van Ajax boven de wekelijkse vergadering was misschien nog vergeeflijk geweest als een ‘kleinburgerlijke zwakheid’, maar tegen de achtergrond van regelmatig ironisch commentaar op de koerswijzigingen van de KEN was dat aanleiding voor mijn royement. Geroyeerd en voorgoed genezen. Als eerste in Nederland. Toen leverde dat gemengde gevoelens op. Nu kan ik er met een zekere trots op terugkijken.
Ik moest me politiek opnieuw oriënteren. Mijn eerste stap was: weer terug naar de groep rond het Griekenland-bulletin. Maar ik zocht ook nog naar een ander onderdak. Dat vond ik bij de socialistische bonden die in de loop van 1971 waren opgericht. In een analyse van de bonden uit 1974 stelt Gabriël van den Brink terecht dat “de bonden zich in een betrekkelijk politiek vacuüm ontwikkelden, zij moesten zich aan de eigen haren uit het Nijmeegse (ook theoretische) moeras trekken”.
Bij de bonden kwam ik weer dezelfde mensen tegen die eind jaren zestig in Nijmegen hadden meegemaakt en aangestoken waren door de politieke idealen uit die jaren. Ik denk dat er voor ons in dat “betrekkelijk politieke vacuüm” slechts twee alternatieven waren: ofwel melancholisch en berustend terugkijken naar de jaren zestig die niet gebracht hadden wat we ervan gehoopt hadden ofwel iets van de utopie uit die jaren vasthouden. Gesteld voor dat alternatief hebben wij gekozen voor de tweede optie –het vasthouden van idealen. Dat vereiste misschien een bepaalde moed, maar het loslaten ervan zou ook een vorm van zelfverloochening zijn geweest. In die zin is ook de psyche van de dragers van de bonden van het eerste uur mijns inziens een beslissende factor geweest. Met het vasthouden aan die idealen hebben we het onszelf niet gemakkelijk gemaakt. De inzet was hoog. Het elan waarmee die inzet werd opgepakt, riep herinneringen op aan eind jaren zestig.
Zo lag het voor de hand dat wij ons als bonden naar twee kanten afgrensden: het syndicalistisch handwerk van de USN (en in het verlengde daarvan de CPN en het ‘reëel bestaande socialisme’) stond te ver af van ons denken in termen van een radicale omwenteling van de bestaande verhoudingen –dat was een stap terug waarmee we ongeloofwaardig zouden zijn geworden voor onszelf- en de sectarische, linksradicalistische opvattingen van de MLS boden te weinig perspectief voor degenen die op de universiteit wilden blijven,- uiteindelijk was de universiteit ons strijdgebied. Beide organisaties –de USN en de MLS- dienden dan ook “volledig en systematisch bekritiseerd te worden”,- aldus het artikel Eerst helderheid, dan eenheid in het Bondenblad nr. 1 (apr il ’72). De bedoelde ideologische eenheid zou overigens nog even op zich laten wachten omdat de daarvoor vereiste helderheid maar langzaam vorm kreeg. Je zou ook kunnen zeggen, dat we zijn blijven zoeken naar die helderheid.
Zo stonden de bonden voor de opgave een eigen weg te zoeken in het vorm geven aan “een socialistische studentenpolitiek”. De initiatieven die daartoe op diverse faculteiten waren genomen, werden in oktober 1971 gebundeld in de 6-oktobergroep. Daarvan heb ik enkele jaren secretaris mogen zijn.
Die groep fungeerde uitdrukkelijk niet als een soort centraal comité maar slechts als overkoepelend orgaan, gaf bondenbladen uit, organiseerde seminars en probeerde iets als een lijn te ontwikkelen. Dát viel niet mee. De pretenties waren niet gering. Weet je nog?: studenten een socialistisch bewustzijn bijbrengen en hen zo mogelijk op het standpunt van het proletariaat brengen; kritiek op de burgerlijke wetenschap; studie in dienst van het volk; confrontatiestudie; strijd tegen de scheiding tussen hoofd- en handarbeid; bondgenotenpolitiek. Zo hebben we tevens een aardige samenvatting van de “algemeen aanvaarde abstracte uitgangspunten”. Daar gingen stevige discussies aan vooraf.,- stevige, maar vaak ook moeizame discussies in de ban als we waren van het vinden van ‘de juiste lijn’ bij de concrete toepassing van die abstracte uitgangspunten (zoals bij de standpuntbepaling rond de verhoging van het collegegeld tot 1000,- piek). De dilemma’s en impasses die zich in de praktijk voordeden, leidden regelmatig tot koerswijzigingen en accentverschuivingen. Typerend voor een beweging, die dank zij en op grond van open discussies in staat bleek tot zelfkritiek en zelfcorrectie. Wat af en toe chaotisch oogde, was ook mede een symptoom van die interne dynamiek en openheid.
Wat niet wegneemt dat de nadelen van een organisatorische losheid als beweging sommigen deed besluiten te kiezen voor het ‘democratisch centralisme’ (politikologenbond).
De beweging ebde eind 1975 weg, zoals dat gaat bij een beweging.

In de bundel Alles moest anders uit 1992 kijken een aantal intellectuelen die in hun studententijd in de jaren zeventig in A’dam lid waren van de CPN met gêne terug op die periode, die ze typeren als de tijd van ‘de grote vergissing’, van ideologische ontsporingen, die voor enkelen zelfs traumatiserend was.
Ik hoop en ben er eigenlijk van overtuigd, dat de periode van de socialistische studentenbonden ondanks het feit dat de praktijk ver achterbleef bij de pretenties geen traumatische sporen heeft achtergelaten bij de deelnemers en dat het merendeel terug kan kijken op een misschien chaotische, maar in elk geval ook een bevlogen en inspirerende tijd. Misschien wel met een zekere trots.

Gerard Snels/ januari 2008